Baäla

Baäla (1)

afbreking: Ba·ä·la [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: '(plaats van de) heerseres, vrouwelijke Baäl';  

 
  1. plaats bij de grens tussen de gebieden van Benjamin-3 en Juda-3; andere namen: Jaär, Kirjat(2), Kirjat-Baäl, Kirjat-Arim, Kirjat-Jearim (Joz. 15:9, 15:10, 1 Kron. 13:6);
  2. plaats die is toegewezen aan de stam Simeon-2 in het zuiden van het gebied van Juda-3; andere namen: Bala, Bilha-2 (Joz. 15:29);
  3. berg bij de noordelijke grens van het gebied van Juda-3 (Joz. 15:11)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Baäla(2) [ ? ]

Baäla (2)

afbreking: Ba·ä·la [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: '(plaats van de) heerseres, vrouwelijke Baäl';  

 
  1. plaats bij de grens tussen de gebieden van Benjamin-3 en Juda-3; andere namen: Jaär, Kirjat(3), Kirjat-Baäl, Kirjat-Arim, Kirjat-Jearim (Joz. 15:9, 15:10, 1 Kron. 13:6);
  2. plaats die is toegewezen aan de stam Simeon-2 in het zuiden van het gebied van Juda-3; andere namen: Bala(2), Bilha(2)-2 (Joz. 15:29);
  3. berg bij de noordelijke grens van het gebied van Juda-3 (Joz. 15:11)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Baäla [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-