Binjamien

afbreking: Bin·ja·mien [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'zoon van rechts/het zuiden';  

 
  1. jongste van de twaalf zonen van aartsvader Jakob-1; moeder is Rachel-1; naam gegeven door Jakob-1; andere naam: Ben-Oni, gegeven door Rachel-1 (o.a. Gen. 35:18; nr. 1-3: 162x, zie nr. 3);
  2. uit hem voortgekomen stam van Israël-2 (o.a. Num. 2:22; nr. 1-3: 162x, zie nr. 3);
  3. gebied van deze stam, ten noordwesten van de Dode Zee (o.a. Ez. 48:24; nr. 1-3: 162x: Gen. 35:18 +, Ex. 1:3, Num. 1:36 +, Deut. 27:12 +, Joz. 18:11 +, Recht. 1:21 +, 1 Sam. 4:12 +, 2 Sam. 2:9 +, 1 Kon. 4:18 +, Jer. 1:1 +, Ez. 48:22 +, Hos. 5:8, Ob. 19, Zach. 14:10, Ps. 68:28 +, Ezra 1:5 +, Neh. 11:4 +, 1 Kron. 2:2, 2 Kron. 11:1 +; Griekse vorm 4x in NT);
  4. zoon van Charim, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:32);
  5. een van degenen die meewerkt aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:23);
  6. lid van een koor dat de stadsmuur van Jeruzalem-1 inwijdt (Neh. 12:34);
  7. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Bilhan (1 Kron. 7:10);
  8. mannelijke voornaam
[ ? ]

  Binjamien  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Benjamin [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-