Cham

afbreking: Cham [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. een van de drie zonen van Noach-1, vader van Kus-2, Misraïm, Put en Kanaän-1, stamvader van vooral Afrikaanse volken, waaronder dat van Egypte (12x: Gen. 5:32 +, 1 Kron. 1:4 +);
  2. Egypte (4x: Ps. 78:51 +)
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-