Dan

afbreking: Dan [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: volgens Gen. 30:6 en 49:16 verband met 'recht';  

 
  1. zevende van de twaalf zonen van aartsvader Jakob-1; moeder is de slavin Bilha-1 (o.a. Gen. 30:6; nr. 1-3: 50x, zie nr. 3);
  2. uit hem voortgekomen stam van Israël-2 (o.a. Ex. 31:6; nr. 1-3: 50x, zie nr. 3);
  3. gebied van die stam, eerst in het midden, later in het noordoosten van het Bijbelse land Israël-3 (o.a. Deut. 34:1; nr. 1-3: 50x: Gen. 30:6 +, Ex. 1:4 +, Lev. 24:11, Num. 1:12 +, Deut. 27:13 +, Joz. 19:40 +, Recht. 1:34 +, Ez. 48:1 +, 1 Kron. 2:2 +, 2 Kron. 2:13);
  4. noordelijkste stad van het Bijbelse land Israël-3 (20x: Gen. 14:14, Joz. 19:47, Recht. 18:29 +, 1 Sam. 3:20, 2 Sam. 3:10 +, 1 Kon. 5:5 +, 2 Kon. 10:29, Jer. 4:15 +, Am. 8:14, 1 Kron. 21:2, 2 Kron. 16:4 +);
  5. mannelijke voornaam;
  6. kibboets in het noorden van Israël-7
[ ? ]

  Dan  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-