davar

afbreking: da·var [ ? ]
lidwoord: het  
meervoud: de·va·riem
[uitspraak: dəvariem]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

 
  1. woord;
  2. ding
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-