Devora

afbreking: De·vo·ra [ ? ]
  [uitspraak: Dəvora] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'bij';  

 
  1. voedster van Rebekka-1 (Gen. 35:8);
  2. vrouw van Lappidot, rechter (leidster) van Israël-3, profetes (9x: Recht. 4:4 +);
  3. vrouwelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Debora [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-