gabai

afbreking: ga·bai [ ? ]
  [uitspraak: ğabai] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: ga·ba·ïem
[uitspraak: ğabaïem]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

 
  1. penningmeester, bestuurder;
  2. iemand die toezicht houdt op het verloop van de synagogedienst;
  3. iemand die geld inzamelt voor een liefdadig doel
[ ? ]

verwant: Jiddisj: gabbe [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-