Gad

afbreking: Gad [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'geluk';  

 
  1. zevende van de twaalf zonen van aartsvader Jakob-1; moeder is de slavin Zilpa (o.a. Gen. 30:11; nr. 1-3: 57x, zie nr. 3);
  2. uit hem voortgekomen stam van Israël-2 (o.a. Ex. 31:6, nr. 1-3: 57x, zie nr. 3);
  3. gebied van deze stam, ten oosten van de Jordaan (o.a. Ez. 48:28, nr. 1-3: 57x: Gen. 30:11 +, Ex. 1:4, Num. 1:14 +, Deut. 27:13 +, Joz. 4:12 +, 1 Sam. 13:7 +, 2 Sam. 24:5 +, Jer. 49:1, Ez. 48:27 +, 1 Kron. 2:2 +);
  4. profeet die zich richt tot David-1 (13x: 1 Sam. 22:5, 2 Sam. 24:11 +, 1 Kron. 21:9 +, 2 Kron. 29:25);
  5. god van het geluk (Jes. 65:11);
  6. mannelijke voornaam
[ ? ]

  Gad  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-