Gamliël, Gamlieel

afbreking: Gam·li·ël, Gam·li·eel [ ? ]
  [uitspraak: Ğamlieel] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'mijn beloning is God';  

 
  1. afstammeling van Manasse, zoon van Pedasur (5x: Num. 1:10 +);
  2. zes joodse schriftgeleerden die als nasi fungeerden, van wie de eerste, uit de eerste helft van de 1ste eeuw, genoemd wordt in Hand. 5:34 en 22:3, en de tweede, van eind 1ste tot begin 2de eeuw, het bekendst is in het jodendom;
  3. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Gamliël, Gamaliël [ ? ]
spelling: 'Gamliël, Gamlieel' is een weergavevariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-