Gavriël, Gavrieel

afbreking: Ga·vri·ël, Ga·vri·eel [ ? ]
  [uitspraak: Ğavrieel] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'man van God';  

 
  1. bode van boven die als een man verschijnt aan Daniël-2 om hem uitleg te geven van wat er gebeuren gaat (Dan. 8:16, 9:21);
  2. aartsengel (Griekse vorm in Luc. 1:19, 1:26);
  3. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Gabriël [ ? ]
spelling: 'Gavriël, Gavrieel' is een weergavevariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-