Gaziet

afbreking: Ga·ziet [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: Ga·zie·ten  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: afleiding van 'Aza/Gaza';  

  inwoner van Gaza (Joz. 13:3, Recht. 16:2) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Azatiet [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-