Gechazi

Gechazi (1)

afbreking: Ge·cha·zi [ ? ]
  [uitspraak: Ğechàzi] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'met uitpuilende ogen';  

  knecht van de profeet Elisa (12x: 2 Kon. 4:12 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Gechazi(2) [ ? ]

Gechazi (2)

afbreking: Ge·cha·zi [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'met uitpuilende ogen';  

  knecht van de profeet Elisa (12x: 2 Kon. 4:12 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Gechazi [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-