Gedalja

Gedalja (1)

afbreking: Ge·dal·ja [ ? ]
  [uitspraak: Ğədalja] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'grote dingen deed de Heer';  

 
  1. zoon van Achikam, door de koning van Babel-2 aangesteld tot gouverneur van Juda-4, beschermer van de profeet Jeremia-1; andere naam: Gedaljahu-1 (4x: Jer. 40:5 +);
  2. grootvader van de profeet Sefanja-2 (Sef. 1:1);
  3. priester, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:18)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Gedalja(2) [ ? ]
zie ook: Tsom Gedalja  

Gedalja (2)

afbreking: Ge·dal·ja [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'grote dingen deed de Heer';  

 
  1. zoon van Achikam(2), door de koning van Babel-2 aangesteld tot gouverneur van Juda-4, beschermer van de profeet Jeremia-1; andere naam: Gedaljahu-1 (4x: Jer. 40:5 +);
  2. grootvader van de profeet Sefanja-2 (Sef. 1:1);
  3. priester, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:18)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Gedalja [ ? ]
zie ook: Gedaljahu, Gedalja  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-