geer tsedek

afbreking: geer tse·dek [ ? ]
  [uitspraak: ğeer tsèdek] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: ge·ree tse·dek
[uitspraak: ğeeree tsèdek]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'rechtvaardige vreemdeling, bekeerling';  

  niet-joodse man die volledig is overgegaan tot het jodendom, proseliet [ ? ]

zie ook: geer  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-