gemar chatima tova

afbreking: ge·mar cha·ti·ma to·va [ ? ]
  [uitspraak: ğəmar] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

  de afsluiting van een goede bezegeling! (nl. van het ingeschreven worden in het boek des levens; wens tussen Jom Kipoer en Hosjana Raba) [ ? ]

zie ook: chatima tova  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-