Gersom

afbreking: Ger·som [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: volgens Ex. 2:22 en 18:3 'vreemdeling daar';  

 
  1. zoon van Mozes-1 en Sippora (6x: Ex. 2:22 +, Recht. 18:30, 1 Kron. 23:15 +);
  2. hoofd van een familie die met Ezra(2)-1 terugkeert uit de ballingschap in Babel-2 (Ezra 8:2);
  3. oudste van de drie zonen van Levi-1, vader van Libni en Simi-1, stamvader van het Levietengeslacht van de Gersonieten; andere naam: Gerson (7x: 1 Kron 6:1 +)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Gersjom [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-