Gilad

afbreking: Gi·lad [ ? ]
  [uitspraak: Ğilad] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'ruw (terrein)';  

 
  1. bergland ten oosten van de Jordaan (77x: Gen. 31:21 +, Num. 32:1 +, Deut. 2:36 +, Joz. 12:2 +, Recht. 7:3 +, 1 Sam. 11:1 +, 2 Sam. 2:5 +, 1 Kon. 4:13 +, 2 Kon. 10:33 +, Jer. 8:22 +, Ez. 47:18, Am. 1:3 +, Ob. 19, Mi. 7:14, Zach. 10:10, Ps. 60:9 +, Hoogl. 4:1 +, 1 Kron. 5:9 +);
  2. plaats in het bergland Gilead-1 (Recht. 10:17, Hos. 6:8, 12:12);
  3. afstammeling van Jozef-1, kleinzoon van Manasse, zoon van Machir-1 (11x: Num. 26:29 +, Joz. 17:3, Recht. 5:17, 1 Kr. 2:21 +);
  4. vader van Jefta-2 (Recht. 11:1, 11:2);
  5. afstammeling van Gad-1, zoon van Michaël-5, vader van Jaroach (1 Kron. 5:14);
  6. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Gilead [ ? ]
zie ook: Javeesj Gilad, Ramot Gilad  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-