giloei arajot

afbreking: gi·loei ara·jot [ ? ]
  [uitspraak: ğiloei] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'ontbloten van schaamdelen' (Lev. 18);  

  seksuele omgang met iemand met wie een seksuele relatie niet-geoorloofd is (incest, overspel, enz.) [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-