Giva

afbreking: Gi·va [ ? ]
  [uitspraak: Ğiva] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'heuvel';  

 
  1. plaats in het gebied van Benjamin-3 (37x: Joz. 18:28, Recht. 19:12 +, 1 Sam. 7:1 +, 2 Sam. 6:3 +, Hos. 5:8 +, 2 Kron. 13:2);
  2. plaats in het berggebied van Juda-3 (Joz. 15:57, 1 Kron. 2:49)
[ ? ]

  Giva  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Gibea [ ? ]
zie ook: Geva  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-