Gog

afbreking: Gog [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. oppervorst van Mesech en Tubal in het land Magog-2; vijandige macht die Israël-3 vanuit het noorden bedreigt (9x: Ez. 38:2);
  2. afstammeling van Ruben-1, zoon van Semaja-17, vader van Simi-11 (1 Kron. 5:4)
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-