goj

goj (1)

afbreking: goj [ ? ]
  [uitspraak: ğoj] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: go·jiem, go·jiem
[uitspraak: ğojiem, ğojiem]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

  niet-jood [ ? ]

verwant: Jiddisj: goj(2) [ ? ]
spelling: Groene Boekje 2005: gojim(s)  

goj (2)

afbreking: goj [ ? ]
  [uitspraak: ğoj] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: go·jem
[uitspraak: ğojəm]
 
herkomst: Jiddisj [ ? ]

  niet-jood [ ? ]

verwant: Hebreeuws: goj [ ? ]
zie ook: sjabbesgoj  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-