gokken

afbreking: gok·ken [ ? ]
vervoeging: gok·te, ge·gokt  
herkomst: Jiddisj-Nederlands [ ? ]

  een kans wagen, o.a. in een spel om geld; speculeren [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-