Gosen

afbreking: Go·sen [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. streek in het oostelijk deel van de delta van de Nijl; wordt woonplaats voor Jakob en zijn zonen (12x: Gen. 45:10 +, Ex. 8:18 +);
  2. moeilijk te localiseren plaats en streek in het berggebied van Juda-3 (Joz. 10:41, 11:16, 15:51)
[ ? ]

  Gosen  
verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Gosjen [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-