halacha

afbreking: ha·la·cha [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: ha·la·chot  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

 
  1. het normatieve, voorschrijvende deel van de mondelinge Tora;
  2. één onderdeel uit dit normatieve deel;
  3. de hiermee verband houdende jurisprudentie
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-