Jehosafat, Josafat

afbreking: Je·ho·sa·fat, Jo·sa·fat [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer heeft recht gesproken';  

 
  1. zoon van Achilud, kanselier bij David-1 en Salomo-1 (4x: 2 Sam. 8:16, 20:24, 1 Kon. 4:3, 1 Kron. 18:15);
  2. zoon van Paruach, stadhouder van het gebied van Issachar-3 onder Salomo-1 (1 Kon. 4:17);
  3. zoon en opvolger van koning Asa(2)-1 van Juda-4, vader van Jehoram-1 (75x: 1 Kon. 15:24 +, 2 Kon. 1:17 +, 1 Kron. 3:10, 2 Kron. 17:1 +; ook 2x in NT);
  4. zoon van Nimsi, vader van koning Jehu-2 van Israël-4 (2 Kon. 9:2, 9:14)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Jehosjafat [ ? ]
spelling: 'Jehosafat' wordt in de meeste vertalingen 'Josafat'  
zie ook: Josafat, dal van Josafat  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-