Jiftach, Jefta

afbreking: Jif·tach, Jef·ta [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: '(God) moge openen';  

 
  1. plaats in het gebied van Juda-3 (Joz. 15:43);
  2. zoon van Gilead-4, een van de rechters (leiders) van Israël-3 (30x: Recht. 11:1 +, 1 Sam. 12:11)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Jiftach [ ? ]
spelling: in vertalingen vaak 'Jiftach' bij nr. 1, 'Jefta' bij nr. 2  
zie ook: Gee Jiftach El  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-