Joram

Joram (1)

afbreking: Jo·ram, Jo·ram [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer is verheven';  

 
  1. zoon van koning Toï van Hamat; wenst David-1 geluk met zijn overwinning op Hadadezer; andere naam: Hadoram (2 Sam. 8:10);
  2. zoon en opvolger van koning Jehosafat-3 van Juda-4; andere naam: Jehoram-1 (5x: 2 Kon. 8:16 +);
  3. zoon en tweede opvolger van koning Achab-1 van Israël-4, na zijn broer Achazja-1; andere naam: Jehoram-2 (13x: 2 Kon. 8:25 +, 1 Kron. 3:11, 2 Kron. 22:5 +; Griekse vorm 2x in NT);
  4. zoon van Jesajahu-3, vader van Zichri-8, Leviet-2 (1 Kron. 26:25);
  5. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Joram(2) [ ? ]

Joram (2)

afbreking: Jo·ram [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer is verheven';  

 
  1. zoon van koning Toï van Hamat; wenst David-1 geluk met zijn overwinning op Hadadezer; andere naam: Hadoram (2 Sam. 8:10);
  2. zoon en opvolger van koning Jehosafat-3 van Juda-4; andere naam: Jehoram-1 (5x: 2 Kon. 8:16 +);
  3. zoon en tweede opvolger van koning Achab-1 van Israël-4, na zijn broer Achazja(2)-1; andere naam: Jehoram-2 (13x: 2 Kon. 8:25 +, 1 Kron. 3:11, 2 Kron. 22:5 +; ook 2x in NT);
  4. zoon van Jesajahu-3, vader van Zichri(2)-8, Leviet-2 (1 Kron. 26:25);
  5. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Joram [ ? ]
zie ook: Jehoram, Joram  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-