Jozef, Josef

afbreking: Jo·zef [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: '(de Heer) moge toevoegen' (zie Gen. 30:24);  

 
  1. elfde van de twaalf zonen van aartsvader Jakob-1; moeder is Rachel-1; zijn broers verkopen hem aan kooplieden die op weg zijn naar Egypte, waar hij eerst in dienst komt bij Potifar(2) en vervolgens onderkoning wordt; de farao geeft hem de Egyptische naam Safenat-Paneach en geeft hem Asnat tot vrouw; vader van Menasse-1 en Efraïm-1 (o.a. Gen. 30:24, nr. 1-2: 209x, zie nr. 2);
  2. geheel van de uit hem voortgekomen stammen Manasse en Efraïm-2 en het gebied daarvan (o.a. Deut. 27:12, nr. 1-2: 210x: Gen. 30:24 +, Ex. 1:5 +, Num. 1:10 +, Deut. 27:12 +, Joz. 14:4 +, Recht. 1:22 +, 2 Sam. 19:21, 1 Kon. 11:28, Ez. 37:16 +, Am. 5:6 +, Ob. 18, Zach. 10:6, Ps. 77:16 +, 1 Kron. 2:2 +; ook 9x in NT);
  3. afstammeling van Issachar-1, vader van Jigal (Num. 13:7);
  4. zoon van Bani, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:42);
  5. hoofd van de priesterlijke familie Sebanja (Neh. 12:14);
  6. nakomeling van Asaf(2)-2, hoofd van de eerste zangersgroep bij de tempel (1 Kron. 25:2, 25:9);
  7. man van Maria (14x: Mat. 1:16 +, Luc. 1:27 +, Joh. 1:46 +);
  8. mannelijke voornaam; variant: Joppe(2)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Joseef [ ? ]
spelling: in vertalingen vaak 'Jozef' bij nr. 1-2, 'Josef' bij nr. 3-6  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-