Kaddiesj

afbreking: Kad·diesj, Kad·diesj [ ? ]
lidwoord: het  
meervoud: Kad·di·sjiem  
herkomst: Aramees [ ? ]
letterlijk: 'heilig';  

  Aramees(2) gebed waarin Gods naam wordt geheiligd, in verschillende vormen en op verschillende plaatsen voorkomend in de synagogedienst, o.a. aan het eind van elke dienst en voorafgaand aan het Sjema; ook gezegd bij begrafenis en dodenherdenking [ ? ]

verwant: Jiddisj: Kaddesj [ ? ]
spelling: Groene Boekje 2005: kaddisj(en)  
zie ook: kedoesja  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-