Machir

afbreking: Ma·chir [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'verkochte, huurling';  

 
  1. oudste zoon van Manasse, man en/of broer van Maächa(2)-8, vader van Gilead-3 en Peres (18x: Gen. 50:23, Num. 26:29 +, Deut. 3:15, Joz. 13:31 +, 1 Kron. 2:21 +);
  2. gebied van zijn nakomelingen (Recht. 5:14);
  3. zoon van Ammiël; bij hem woont Siba (2 Sam. 9:4, 9:5, 17:27)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Machier [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-