Menasjè

afbreking: Me·na·sjè [ ? ]
  [uitspraak: Mənasjè] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: volgens Gen. 41:51 '(God heeft) doen vergeten';  

 
  1. oudste van de twee zonen van Jozef-1 en Asnat (o.a. Gen. 41:51; nr. 1-3: 120x, zie nr. 3);
  2. uit hem voortgekomen stam van Israël-2 (o.a. Num. 1:35; nr. 1-3: 120x, zie nr. 3);
  3. gebied van deze stam, deels ten westen, deels ten oosten van de Jordaan (o.a. Deut. 34:2; nr. 1-3: 120x: Gen. 41:51 +, Num. 1:10 +, Joz. 1:12 +, Recht. 1:27 +, 1 Kon. 4:13, Jes. 9:20, Ez. 48:4 +, Ps. 60:9 +, 1 Kron. 5:18 +, 2 Kron. 15:9 +);
  4. zoon en opvolger van koning Hizkia van Juda-4 (24x: 2 Kon. 20:21 +, Jer. 15:4, 1 Kron. 3:13, 2 Kron. 32:33 +; Griekse vorm 2x in NT);
  5. zoon van Pachat-Moab, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:30);
  6. zoon van Chasum, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:33);
  7. mannelijke voornaam
[ ? ]

  Menasjè  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Manasse [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-