Michaël, Michaëel

afbreking: Mi·cha·ël, Mi·cha·ëel [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'wie is als God?';  

 
  1. zoon van Setur, die hoort tot de twaalf verkenners van het land Kanaän-2 (Num. 13:13);
  2. vorst die het volk Israël-2 beschermt (Dan. 10:13, 10:21, 12:1; zie ook nr. 11);
  3. vader van Zebadja, die met Ezra-1 terugkeert uit de ballngschap in Babel-2 (Ezra 8:8);
  4. afstammeling van Gad-1 (1 Kron. 5:13);
  5. andere afstammeling van Gad-1, zoon van Jesisai (1 Kron. 5:14);
  6. afstammeling van Levi-1, zoon van Baäseja, voorvader van Asaf-2 (1 Kron. 6:25);
  7. afstammeling van Issachar-1, zoon van Jizrachja, vader van Omri-4 (1 Kron. 7:3, 27:18);
  8. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Beria (1 Kron. 8:16);
  9. afstammeling van Manasse; sluit zich in Siklag aan bij David-1 (1 Kron. 12:21);
  10. zoon van koning Jehosafat-3 van Juda-4, broer van Joram-2, die hem vermoordt (2 Kron. 21:2);
  11. aartsengel (Jud. 1:9, Op. 12:7; zie ook nr. 2);
  12. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Michaël [ ? ]
spelling: 'Michaël, Michaëel' is een weergavevariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-