Mozes

afbreking: Mo·zes [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: verband met het Egyptische 'zoon', volgens Ex. 2:10 verband met 'uit (iets) trekken';  

 
  1. afstammeling van Levi-1, zoon van Amram(2)-1 en Jochebed, broer van Aäron-1 en Mirjam(2)-1, man van Sippora, vader van Gersom-1 en Eliëzer-2; wordt door de Heer geroepen om het volk Israël-2 uit Egypte te leiden naar Kanaän-2; ontvangt bij de openbaring op de berg Sinai twee stenen tafelen met onder meer de tien geboden; sterft op de berg Nebo-2; verondersteld auteur van de eerste vijf boeken van de Bijbel, de Tora (770x: Ex. 2:10 +, Lev. 1:1 +, Num. 1:1 +, Deut. 1:1 +, Joz. 1:1 +, Recht. 1:16 +, 1 Sam. 12:6 +, 1 Kon. 2:3 +, 2 Kon. 14:6 +, Jes. 63:11 +, Jer. 15:1 +, Mi. 6:4, Mal. 3:22, Ps. 77:21 +, Dan. 9:11 +, Ezra 3:2 +, Neh. 1:7 +, 1 Kron. 5:29 +, 2 Kron. 1:3 +; ook gelezen in Recht. 18:30; ook 80x in NT);
  2. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Mosjee [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-