Nebukadnessar

afbreking: Ne·bu·kad·nes·sar [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: in het Akkadisch '(de god) Nabu bescherme de zoon';  

  koning van Babel-2; verovert Jeruzalem-1 met de tempel, waarbij hij verwoestingen aanricht; voert een groot deel van de bevolking in ballingschap naar Babel-2; andere naam: Nebukadressar (58x: 2 Kon. 24:1 +, 2 Kon. 25:22 +, Jer. 27:6 +, Jer. 28:11 +, Est. 2:6, Dan. 1:1 +, Dan. 1:18 +, Dan. 2:28 +, Ezra 1:7 +, Neh. 7:6, 1 Kron. 5:41, 2 Kron. 36:6 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Nevoechadnetsar [ ? ]
spelling: spelling elders: Nabukodonosor  
zie ook: Nebukadressar  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-