ngeroeb

afbreking: nge·roeb [ ? ]
  [uitspraak: ngeeroeb] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: nge·roe·biem
[uitspraak: ngeeroebiem]
 
herkomst: Sefardisch (Portugees) Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'vermenging' (bij gebieden, spijzen, enz.);  

 
  1. omheining van een woongebied waarbinnen het op sjabbat geoorloofd is om voorwerpen te dragen;
  2. bekorting van: ngeroeb tabsjilien
[ ? ]

verwant: Hebreeuws: eroev [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-