Noach

afbreking: No·ach [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'rust', volgens Gen. 5:29 bestaat verband met 'troosten';  

 
  1. zoon van Lamech-2; ontkomt met gezin en dieren in een ark aan de zondvloed; de Heer sluit daarna een verbond met hem (46x: Gen. 5:29 +, Jes. 54:9, Ez. 14:14 +, 1 Kron. 1:4; ook 8x in NT);
  2. derde woord, tevens naam van de perikoop Beresjiet 6:9-11:32
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-