resj galoeta

afbreking: resj ga·loe·ta [ ? ]
  [uitspraak: ğaloeta] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: ra·sjee ga·loe·ta
[uitspraak: ğaloeta]
 
herkomst: Aramees [ ? ]
letterlijk: 'hoofd van de ballingschap';  

  exilarch, leider van joden in Babylonië (tot ca. 1200) [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-