Samaria

afbreking: Sa·ma·ria, Sa·ma·ria [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: volgens 1 Kon. 16:24 afleiding van 'Sjemer/Semer';  

 
  1. plaats in het gebied van Manasse, ten noordwesten van Sichem-1; gebouwd door Omri(2)-1 op de berg die deze koopt van Semer; gemaakt tot hoofdstad van het noordrijk Israël-4 (o.a. 1 Kon. 16:24; nr. 1-2: 110x, zie nr. 2); latere Griekse naam, gegeven door Herodes: Sebaste; naam van een dorp bij de ruïnes ervan: Sebastia;
  2. gebied bij die stad, ook wel het noordrijk Israël-4; later: het midden van het Bijbelse land Israël-3 tussen Galilea in het noorden en Judea in het zuiden (o.a. 1 Kon. 13:32; nr. 1-2: 110x: 1 Kon. 13:32 +, 2 Kon. 1:2 +, Jes. 7:9 +, Jer. 23:13 +, Ez. 16:46 +, Hos. 7:1 +, Am. 3:9 +, Ob. 19, Mi. 1:1 +, Neh. 3:34, 2 Kron. 18:2 +; ook 11x in NT)
[ ? ]

  Samaria  
verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Sjomron [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-