sebat

afbreking: se·bat [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

  elfde maand van het joodse jaar, in januari-februari (Zach. 1:7); vijfde maand bij telling vanaf Rosj Hasjana [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): sjevat [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-