Sichem

afbreking: Si·chem [ ? ]
  [uitspraak: Siechem] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'nek, schouder, rug';  

 
  1. oorspronkelijk Kanaänitische plaats in het berggebied van Efraïm-3, eerste hoofdstad van het noordrijk Israël-4; huidige naam: Nabloes (51x: Gen. 12:6 +, Joz. 17:7 +, Recht. 8:31 +, 1 Kon. 12:1 +, Jer. 41:5, Hos. 6:9, Ps. 60:8 +, 1 Kron. 6:52 +, 2 Kron. 10:1; ook 2x in NT);
  2. zoon van de Chiwwiet-2 Chamor (12x: Gen. 33:19 +)
[ ? ]

  Sichem  
verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Sjechem [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-