smoezen, sjmoezen

afbreking: smoe·zen, sjmoe·zen [ ? ]
vervoeging: smoes·de, ge·smoesd, sjmoes·de, ge·sjmoesd  
herkomst: Jiddisj-Nederlands [ ? ]

 
  1. praten;
  2. gedempt praten;
  3. praatjes verkopen, een uitvlucht aanvoeren
[ ? ]

spelling: 'smoezen, sjmoezen' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-