Wajechi

afbreking: Wa·je·chi [ ? ]
  [uitspraak: Wajəchi] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'en hij leefde';  

  beginwoord, tevens naam van de perikoop Beresjiet 47:28-50:26 [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-