Wajelech

afbreking: Wa·je·lech [ ? ]
  [uitspraak: Wajeelech] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'en hij ging';  

  beginwoord, tevens naam van de perikoop Devariem 31:1-31:30 [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-