wejievrech

afbreking: we·jie·vrech [ ? ]
  [uitspraak: wəjievrəch] [ ? ]
herkomst: Jiddisj [ ? ]
letterlijk: 'en hij vluchtte';  

  in 'zich wejievrech maken': zich uit de voeten maken, de plaat poetsen [ ? ]

verwant: Bargoens: wieberig [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-